De praktijk van veranderen
De rode draad van het congres op 23 juni was helder: de grootste uitdaging is niet het aanpassen van organisaties, maar het anders kijken naar de maatschappelijke opgave. Pas als die gezamenlijk wordt gedeeld, ontstaat ruimte voor nieuwe vormen van samenwerking.
Die boodschap klonk al in de opening van Fleur van Puijenbroek. Ze zette het congres direct op scherp door niet haar beperking centraal te plaatsen, maar de vraag waarom de samenleving mensen nog zo vaak beperkt. Daarmee draaide zij het perspectief om. Het ging niet om wat inwoners moeten veranderen, maar wat wij zelf anders kunnen doen om een inclusieve samenleving mogelijk te maken.
Gezamenlijk vertrekpunt
Dat perspectief bleef de rest van de dag hangen en kwam ook terug in de verschillende workshops, waaronder Van visie naar praktijk. De praktijkvoorbeelden maakten duidelijk dat bij verandering het essentieel is om te beginnen met een gezamenlijk gesprek over de vraag wat de maatschappelijke opgave is. Juist dat gezamenlijke vertrekpunt blijkt in de praktijk vaak te ontbreken. In een van de regio's lag al een toekomstscenario klaar voor de inrichting van het werkontwikkelbedrijf. Toch bleek gaandeweg dat betrokken partijen nog verschillende perspectieven hadden van de opgave. Daarom werd eerst ruimte gemaakt om die visies helder te krijgen. Bestuurders, beleidsmakers, uitvoeringsorganisaties en andere partners gingen met elkaar in gesprek. Pas toen een gedeeld beeld ontstond, kon ook het gesprek over oplossingen verder worden gevoerd.
Van organisatie naar inwoner
Een tweede belangrijke les van het congres was dat de focus moet verschuiven van organisaties naar inwoners. De centrale vraag is niet hoe het werkontwikkelbedrijf van de toekomst eruitziet, maar welke sociale infrastructuur inwoners nodig hebben om zich te ontwikkelen, mee te doen en, waar mogelijk, werk te vinden. Die verschuiving verandert ook de rol van gemeenten, werkontwikkelbedrijven, werkgevers, onderwijs, zorg en maatschappelijke organisaties. Alle betrokken organisaties houden hun eigen verantwoordelijkheid, maar zien zichzelf steeds meer als partners binnen één gezamenlijke maatschappelijke opgave. Dat vraagt om andere gesprekken. Niet: hoe organiseren we de toekomst van onze eigen organisatie? Maar: hoe organiseren we samen een systeem dat inwoners daadwerkelijk verder helpt?
Eén plus één is drie
Ook werd duidelijk dat samenwerking niet vanzelf ontstaat zodra organisaties worden samengebracht. De vorming van Zaffier bijvoorbeeld liet zien dat een bestuurlijk besluit nog maar het begin is van de echte verandering. Een gezamenlijke manier van werken ontstaat pas wanneer professionals elkaar leren kennen, vertrouwen opbouwen en nieuwe werkwijzen ontwikkelen. Als ze gezamenlijk groeien in een nieuwe manier van werken. Zoals tijdens het congres treffend werd verwoord: ‘We dachten dat één plus één twee zou worden. Inmiddels denken we dat één plus één drie is.’ Samenwerking kan meer opleveren dan de optelsom van afzonderlijke organisaties, maar alleen als daar bewust in wordt geïnvesteerd.
Kompas
Misschien was dat wel de belangrijkste conclusie van de dag. Een toekomstbestendige sociale infrastructuur ontstaat niet door één organisatie anders in te richten, maar door gezamenlijk te bouwen aan een gedeeld perspectief. Binnen het ondersteuningsprogramma wordt gewerkt met vijf transitiestappen. Niet als een vast stappenplan, maar als een kompas dat regio’s helpt om steeds opnieuw de juiste vragen te stellen. Delen we hetzelfde beeld van de opgave? Zijn we toe aan keuzes? Helpt onze manier van organiseren inwoners daadwerkelijk verder? Stellen we de maatschappelijke opgave echt centraal? En sluit de manier waarop we samenwerken nog aan bij wat inwoners vandaag én morgen nodig hebben?
Die vragen laten zich niet vangen in een blauwdruk. Wel helpen ze regio's om met elkaar in gesprek te blijven over wat de volgende logische stap naar verandering is.